De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET EERSTE BOEK NEPHI
ZIJN REGERING EN ZIJN BEDIENING
HOOFDSTUK 16
  38 Welnu, hij zegt dat de Heer met hem heeft gesproken, en ook dat aengelen hem hebben bediend. Maar zie, wij weten dat hij ons voorliegt; en hij vertelt ons die dingen en brengt vele dingen door zijn sluwe streken teweeg om ons een rad voor de ogen te draaien, misschien denkende dat hij ons naar de een of andere vreemde wildernis kan wegleiden; en nadat hij ons heeft weggeleid, denkt hij zichzelf tot koning en heerser over ons te maken, zodat hij met ons kan handelen naar zijn wil en welbehagen. En op die wijze hitste mijn broeder Laman hun hart tot toorn op.

Voetnoten
38a
1 Ne. 3:30–31.
  30 En toen de aengel tot ons had gesproken, vertrok hij.
1 Ne. 4:3.
  3 Welnu, zie, gij weet dat dit waar is; en gij weet ook dat een aengel tot u heeft gesproken; hoe kunt gij dan nog twijfelen? Laten wij opgaan; de Heer kan ons bevrijden gelijk onze vaderen, en Laban vernietigen gelijk de Egyptenaren.