De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
HET EERSTE BOEK NEPHI
ZIJN REGERING EN ZIJN BEDIENING
HOOFDSTUK 15
  33 Daarom, indien zij in hun goddeloosheid astierven, moesten ook zij worden bverworpen ten aanzien van de dingen die geestelijk zijn en op de gerechtigheid betrekking hebben; daarom moesten zij voor God worden gebracht om naar hun cwerken te worden dgeoordeeld; en indien hun werken vuilheid waren geweest, moesten zij zelf wel evuil zijn; en indien zij vuil waren, moest het wel zo zijn dat zij niet fin het koninkrijk Gods konden wonen; anders zou het koninkrijk Gods eveneens vuil zijn.

Voetnoten
33a
Mos. 15:26.
  26 Maar zie, en avreest en siddert voor het aangezicht van God, want gij behoort te sidderen; want de Heer verlost geen van hen die tegen Hem bopstaan en in hun zonden csterven; ja, allen die vanaf het begin der wereld in hun zonden zijn omgekomen, die opzettelijk tegen God zijn opgestaan, die de geboden Gods hebben gekend, maar ze niet wilden onderhouden; ddezen zijn het die egeen deel hebben aan de eerste opstanding.
Mro. 10:26.
  26 En wee hun die deze dingen wegdoen en sterven, want zij asterven in hun bzonden, en zij kunnen niet behouden worden in het koninkrijk Gods; en ik zeg dit volgens de woorden van Christus; en ik lieg niet.
b
Alma 12:12–16.
  12 En Amulek heeft duidelijk gesproken over de adood, en de opwekking uit deze sterfelijkheid tot een toestand van onsterfelijkheid, en de voorgeleiding voor het gerecht van God om naar onze werken te worden bgeoordeeld.
Alma 40:26.
  26 Maar zie, een vreselijke adood komt over de goddelozen; want zij sterven ten opzichte van dingen die met de dingen der gerechtigheid te maken hebben; want zij zijn onrein, en niets bonreins kan het koninkrijk Gods beërven; want zij worden uitgeworpen en overgeleverd om de vruchten te nuttigen van hun arbeid, of hun werken, die kwaad zijn geweest; en zij drinken de droesem van een bittere beker.
c
3 Ne. 27:23–27.
  23 Schrijft de dingen op die gij hebt gezien en gehoord, behalve de dingen die averboden zijn.
d
e
2 Ne. 9:16.
  16 En stellig, zowaar de Heer leeft, want de Here God heeft het gesproken, en het is zijn eeuwige awoord dat niet kan bvergaan, zullen zij die rechtvaardig zijn, nog steeds rechtvaardig zijn, en zij die cvuil zijn, zullen nog steeds dvuil zijn; welnu, zij die vuil zijn, zijn de eduivel en zijn engelen; en zij zullen heengaan in het feeuwigdurend vuur dat voor hen is bereid; en hun kwelling is als een gpoel van vuur en zwavel, waarvan de vlam voor eeuwig en altijd opstijgt en geen einde heeft.
LV 88:35.
  35 Hetgeen een wet aschendt en zich niet aan de wet houdt, maar zichzelf tot wet wil worden, en in de zonde wil verblijven, en er geheel in verblijft, kan niet door de wet worden geheiligd, noch door bbarmhartigheid, cgerechtigheid, of het oordeel. Daarom moeten zij nog dvuil blijven.
f
Ps. 15:1–5.
Ps. 24:3–4.
Alma 11:37.
  37 En ik zeg u nogmaals dat Hij hen niet in hun azonden kan redden, want ik kan zijn woord niet loochenen, en Hij heeft gezegd dat bniets onreins het ckoninkrijk van de hemel kan beërven; welnu, hoe kunt gij worden gered, tenzij gij het koninkrijk van de hemel beërft? Daarom kunt gij niet in uw zonden worden gered.
LV 76:50–70.
  50 En wederom getuigen wij — want wij zagen en hoorden, en dit is het agetuigenis van het evangelie van Christus aangaande hen die tevoorschijn zullen komen in de bopstanding der rechtvaardigen —
Moz. 6:57.
  57 Welnu, leer dit uw kinderen: dat alle mensen overal zich moeten abekeren, anders kunnen zij geenszins het koninkrijk Gods beërven, want niets wat bonrein is, kan daar wonen, of in zijn tegenwoordigheid cwonen; want dMens der Heiligheid is zijn naam, in de taal van Adam, en de naam van zijn Eniggeborene is de eZoon des Mensen, ja, Jezus Christus, een rechtvaardig frechter, die zal komen in het midden des tijds.